Nieuws

Afschaffing vrije keuze van zorgverlener: de gevolgen voor patiënt, zorgaanbieder en kwaliteit van zorg

vrijdag 6 maart 2020    Dit artikel delen

In de media verschijnen de laatste maanden steeds meer berichten over de mogelijke ‘afschaffing van de vrije keuze van zorgverlener’ door de overheid. Dat is vanwege een wetsvoorstel dat in de maak is en de overheid de mogelijkheid zal bieden om voor bepaalde zorgsectoren, zoals de wijkverpleging en de geestelijke gezondheidszorg, zelf de hoogte van de vergoeding voor niet gecontracteerde zorg vast te stellen. De minister van VWS heeft het betreffende wetsvoorstel in meerdere brieven aangekondigd en in een recente brief over niet gecontacteerde zorg heeft de minister opnieuw geschreven dat het wetsvoorstel binnenkort aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Het wetsvoorstel kan enorme gevolgen hebben voor niet gecontracteerde én gecontracteerde aanbieders. In potentie kan dit ook een gevaar voor de kwaliteit van zorg opleveren. Hoe zit dit?


De huidige stand van zaken
Op dit moment is in de rechtspraak het ‘hinderpaalcriterium’ ontwikkeld, wat inhoudt dat patiënten die zich tot een niet gecontracteerde zorgaanbieder wenden weliswaar een lagere vergoeding van de zorgverzekeraar ontvangen, maar dat die vergoeding niet zo laag mag zijn dat de patiënt daardoor feitelijk niet meer in staat is om naar die niet gecontracteerde zorgaanbieder te gaan. Dat zorgt ervoor dat patiënten die niet gecontracteerde zorg afnemen meestal een vergoeding krijgen die gelijk is aan 75% van de vergoeding die verzekeraars met gecontracteerde zorgaanbieders afspreken. Daarmee kunnen, zo leert de ervaring, de meeste patiënten gebruik maken van niet gecontracteerde zorg, ook als zij een naturapolis hebben. Op die manier hebben patiënten een ‘vrije’ keuze uit zorgverleners: zij kunnen kiezen uit zowel gecontracteerde als niet gecontracteerde zorgaanbieders.
De minister heeft er geen geheim van gemaakt dat hij het aantal niet gecontracteerde aanbieders in de zorg wil terugdringen. De minister wil dit ondermeer bereiken door patiënten een lagere vergoeding te laten ontvangen voor zorg geleverd door een niet gecontracteerde zorgaanbieder. Dat geldt met name voor de wijkverpleging en de GGZ. De minister omschrijft dat in zijn laatste brief wat cryptisch als het ‘onderscheid tussen de vergoeding van niet-gecontracteerde versus gecontracteerde zorg […] verhelderen dan wel […] versterken’. Dat betekent waarschijnlijk dat de minister het vergoedingspercentage (veel) lager kan vaststellen dan de huidige 75%, bijvoorbeeld 60% of 40%.

Gevolgen voor de patiënt: einde vrije keuze?
Indien het nieuwe wetsvoorstel in de Tweede en Eerste Kamer zou worden aangenomen, betekent dat in potentie voor zorgsectoren als de wijkverpleging een lagere vergoeding voor niet gecontracteerde zorg. Een lagere vergoeding (bijvoorbeeld van 45% van het gecontracteerde tarief) zou betekenen dat veel patiënten waarschijnlijk niet meer kunnen kiezen voor niet gecontracteerde zorg. Zij hebben dan wellicht in theorie de keuze om voor niet gecontracteerde zorgaanbieders te kiezen, maar als zij die zorgaanbieders niet kunnen betalen door een te lage vergoeding is die keuze in de praktijk een illusie.

Gevolgen voor de niet gecontracteerde zorgaanbieder: einde bestaan?
Als bepaalde patiëntengroepen vanwege de lagere vergoeding niet meer kunnen kiezen voor niet gecontracteerde zorgaanbieders, is de verwachting dat het aantal klanten van niet gecontracteerde zorgaanbieders drastisch zal afnemen. Daarnaast zullen de patiënten die nog wel kiezen voor niet gecontracteerde zorgaanbieders, veelal het deel van de nota dat de zorgverzekeraar niet vergoedt niet (meer) zelf kunnen betalen. Zeker in de wijkverpleging en de GGZ zal dat gelden, waar in veel gevallen intensieve zorg wordt verleend waardoor de kosten oplopen, met incassoproblemen tot gevolg.

Het is niet ondenkbaar dat deze factoren ertoe leiden dat niet gecontracteerde zorgaanbieders moeten vrezen voor het einde van hun organisatie. Dat is voor veel niet gecontracteerde zorgaanbieders onverteerbaar. Daarbij moet niet uit het oog verloren worden dat veel organisaties niet in aanmerking komen voor een overeenkomst omdat zij de door de verzekeraar gehanteerde omzetdrempels niet halen, omdat de zorgverzekeraar aangeeft ‘al voldoende zorg ingekocht’ te hebben of omdat zij een  onwerkbaar omzetplafond aangeboden krijgen waardoor zij feitelijk nauwelijks zorg zouden kunnen leveren. Voor deze organisaties zou het bijzonder zuur zijn als zij zonder dat zij daar feitelijk veel aan kunnen doen geen zorg meer kunnen blijven leveren.

Gevolgen voor de gecontracteerde zorgaanbieder: slechtere voorwaarden?
Zorgaanbieders die gewend zijn gecontracteerd te werken, zullen in eerste instantie wellicht denken dat de potentiële impact van het nieuwe wetsvoorstel aan hen voorbij zal gaan of dit, vanwege de niet gecontracteerde aanbieders die moeten stoppen, zelfs gunstig voor hen uit zal pakken. Het is de vraag of dat klopt. Een reëel scenario dat na inwerkingtreding van het wetsvoorstel zou kunnen ontstaan, is dat niet gecontracteerd werken in feite geen optie meer is vanwege de (te) lage vergoeding voor patiënten. Zorgaanbieders zullen daardoor nagenoeg koste wat kost gecontracteerd willen blijven of gecontracteerd willen worden. Dat betekent dat (1) zich meer aanbieders bij de verzekeraar zullen aandienen die een contract willen aangaan, waardoor de keus voor de verzekeraar groter is en (2) het wegloopscenario (d.w.z.: wat er gebeurt als het contract niet wordt getekend) zeer ongunstig wordt voor de zorgaanbieder en feitelijk geen optie meer is. Het is niet moeilijk te voorspellen wat daarvan het logische gevolg kan zijn: de zorgverzekeraar kan andere, voor de zorgaanbieder minder gunstige voorwaarden voorstellen. De verwachting is immers toch dat de zorgaanbieder die mindere voorwaarden wel moet accepteren en zo niet, dan zijn er waarschijnlijk genoeg andere zorgaanbieders die knarsetandend voor deze voorwaarden tekenen.

Gevolgen voor de zorg: op weg naar minder kwaliteit?
Dat de vergoeding verlaagd wordt of contractsvoorwaarden zoals de tarieven voor zorgaanbieders minder gunstig worden, lijkt op het eerste oog voor de verzekerde niet zo erg. De zorgaanbieder moet het dan, zo is het idee, maar ‘met wat minder’ doen. Het risico bestaat echter dat zorgaanbieders door het aankomende wetsvoorstel geen keuze meer hebben om wel of niet te contracteren. Daarmee kan de balans tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars – het fundament voor het zorgstelsel zoals wij dat nu kennen – verder verdwijnen, met een mogelijke race to the bottom met steeds slechter wordende voorwaarden tot gevolg. De zorgaanbieder zit dan klem: ofwel hij kiest ervoor niet gecontracteerd te zijn en ziet dat zijn patiënt de prijs voor zijn zorg niet meer kan ophoesten, ofwel hij kiest ervoor gecontracteerd te zijn met de dreiging van slechtere contractuele voorwaarden zoals lagere tarieven, waardoor hij niet langer dezelfde kwaliteit van zorg kan leveren. De lagere kosten zijn misschien op korte termijn goed voor de premiebetaler, maar bergen wel het gevaar van een lagere kwaliteit van zorg in zich. Zorgverlening met steeds minder financiële middelen maakt het borgen van een hoog kwaliteitsniveau immers lastig. Daarnaast zal er dan geen ruimte meer zijn om te investeren en innoveren.

Licht aan de horizon?
Aangezien het wetsvoorstel nog niet is aangeboden heeft de minister nog de mogelijkheid de meest scherpe randen van het wetsvoorstel te halen, alvorens dat aan de Kamer aan te bieden. Om de balans in het zorgstelsel te bewaren, zou de minister er goed aan doen de onderstaande maatregelen te overwegen bij het formuleren van het nieuwe wetsvoorstel.
Het hinderpaalcriterium dient behouden te blijven. Daardoor blijft geborgd dat de vergoeding niet zo laag is, dat deze een hinderpaal is voor patiënten om gebruik te maken van niet gecontracteerde zorg. De minister heeft dat in zijn brief van 9 november 2018 toegezegd, dus de zorgsector mag ervan uitgaan dat de minister zich daaraan houdt.

De zorgverzekeraar dient te worden verplicht om aan zorgaanbieders, die aan bepaalde redelijke en objectieve criteria voldoen, een overeenkomst met redelijke condities aan te bieden. Er mag geen sprake zijn van willekeur bij het aanbieden van overeenkomsten aan zorgaanbieders, aangezien het in dat geval niet redelijk is om patiënten van de zorgaanbieders die geen contract kunnen krijgen te confronteren met een lagere vergoeding. Alle zorgaanbieders moeten dus in beginsel in aanmerking komen voor een contract. Ook mogen contracten niet zodanig beperkte budgetten hebben dat per saldo geen zorg aan nieuwe cliënten verleend kan worden.

De overheid zou alleen gebruik moeten kunnen maken van de bevoegdheid een lagere vergoeding vast te stellen, indien op basis van serieus, onafhankelijk (wetenschappelijk) onderzoek blijkt dat daartoe een noodzaak bestaat gelet op de actuele omstandigheden in die sector. Ook daarbij dient een willekeurige beslissing zoveel mogelijk te worden voorkomen. De bevoegdheid tot het hanteren van een lagere vergoeding moet niet komen te liggen bij de minister. Dan ligt het risico op de loer dat zorgsoorten buiten de democratische toets geofferd worden om het budget sluitend te krijgen. Het is wenselijk een zwaardere vorm van besluitvorming, bijvoorbeeld een Algemene Maatregel van Bestuur, als voorwaarde te stellen.

Slotsom
Het wetsvoorstel zoals nu aangekondigd – een ‘kale’ bevoegdheid voor de minister om de vergoeding voor niet gecontracteerde zorg lager vast te stellen – kan zonder bijkomende maatregelen ingrijpende gevolgen hebben voor patiënten, zorgaanbieders en het kwaliteitsniveau van de Nederlandse zorg. Voor alle partijen in de zorg, in het bijzonder zorgaanbieders en patiënten, is het van belang kritisch te zijn op het aankomende wetsvoorstel en daarover waar mogelijk vragen te stellen en een mening te vormen. Het is immers voor alle partijen van belang om de zo noodzakelijke balans in het zorgstelsel te behouden, niet in de laatste plaats voor de patiënt en diens zorgvraag.

SoloPartners volgt deze ontwikkeling op de voet en blijft in overleg met alle betrokken partijen.

Dit artikel delen