Nieuws

Afschaffen vrije artsenkeuze? Eerst antwoord op deze 10 vragen

dinsdag 26 mei 2020    Dit artikel delen

Op dit moment is er een wetsvoorstel in voorbereiding dat de vrije artsenkeuze in praktische zin moet afschaffen, te beginnen met de sectoren Wijkverpleging (thuiszorg) en de GGZ. Dit wetsvoorstel, dat via de misleidende titel ‘Bevordering contracteringmet spoed aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden, betekent feitelijk een einde aan niet-gecontracteerde zorg. Al jaren wordt niet-gecontracteerde zorg door de minister en zorgverzekeraars neergezet als heel dure zorg en wordt gecontracteerde zorg als de Heilige Graal betiteld. Zorgverzekeraars, de NZa en de minister lopen hierin hand in hand, zonder dat de aannames over gecontracteerde zorg worden onderbouwd. In dit artikel de oneliners die we iedere keer horen over gecontracteerde zorg, gevolgd door de vragen die wij eerst beantwoord zouden willen zien, voordat de keuzevrijheid op zorg wordt afgebroken. 

Teken de petitie, gestart door de Werkvereniging, tegen het wetsvoorstel en vóór keuzevrijheid.
Er lopen een aantal petities tegelijkertijd, waaronder van Fysiotherapie & Wetenschap en de GGZ.
D
e tussenstand is nu ruim 35.000 handtekeningen! 

De aannames over gecontracteerde zorg

Voordat we overgaan tot het stellen van nieuwsgierige vragen over gecontracteerde zorg, is het verstandig om de containerbegrippen op te halen vanuit zorgverzekeraars, de minister en de NZa. Ik haal een aantal quotes aan en maak dikgedrukt waar je vervolgens vragen over zou kunnen stellen.

De eerste versie van de Monitor Contractering GGZ 2020 laat duidelijk zien hoe de NZa kijkt naar gecontracteerde zorg. “Contracteren is hét vehikel om afspraken te maken over doelmatigheid, kwaliteit, innovatie, organiserend vermogen en de juiste zorg op de juiste plek.” “Contracteren zou de meer aantrekkelijke optie moeten zijn voor zowel zorgverzekeraar als zorgaanbieder.” “De meeste zorgverzekeraars hebben beleid opgesteld om gecontracteerde zorg te stimuleren.” Of neem de monitor contractering Wijkverpleging van twee jaar terug: “In een contract tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar kunnen naast afspraken over de kosten ook afspraken over de kwaliteit en de toegankelijkheid van de zorg worden gemaakt. Zo krijgt de patiënt uiteindelijk betere zorg.

De minister laat binnen het Hoofdlijnenakkoord wijkverpleging zien hoe er naar gecontracteerde zorg wordt gekeken. “Het contracteerproces dient zorgverleners te ondersteunen om zinnige en zuinige zorg van goede kwaliteit te leveren en zorgverzekeraars te ondersteunen om voor hun verzekerden goede zorg doelmatig in te kopen.” In het Hoofdlijnenakkoord lezen we exact dezelfde zin als in de Monitor GGZ van de NZa: “Contractering is hèt vehikel om afspraken te maken over doelmatigheid, kwaliteit, innovatie, organiserend vermogen en de juiste zorg op de juiste plek. Partijen vinden de groei van niet-gecontracteerde zorg onwenselijk.” Deze laatste zin wordt onmiddellijk achter de voorgaande gesteld, waarmee de frame ontstaat dat niet-gecontracteerde zorg níet doelmatig, van kwaliteit, voldoende innoverend, goed georganiseerd en op de juiste plek wordt verleend.

Binnen de wijk wil de minister vooral schaalgrootte en herkenbaarheid. Dit moet bereikt worden via gecontracteerde zorgorganisaties. “De bewindsman op Volksgezondheid wil uiteindelijk toe naar meer zogeheten integrale zorg….. De patiënt krijgt zo een totaalpakket aan zorg voorgeschoteld, specifiek afgestemd op zijn persoonlijke behoefte.” “Nu kan iedere patiënt vanuit de zorgverzekering nog kiezen voor een eigen wijkverpleegkundige. Dat is duur en onnodig.” “Ook zijn per wijk veel verschillende zorgaanbieders actief, wat de noodzakelijke samenwerking bemoeilijkt. Cliënten hebben ten slotte onvoldoende inzicht in de kwaliteit van zorgaanbieders.”

Zorgverzekeraars Nederland heeft zo haar eigen beelden over waarom contractering heel belangrijk is. “Zorgverzekeraars zijn het eens met de minister dat (meerjarige) contractrelaties nodig zijn om de ontwikkeling en professionalisering van de wijkverpleging verder te brengen.” “Volgens ZN maken zorgverzekeraars graag afspraken met zorgaanbieders over kwaliteit en zinnige zorg.

Als je het zo leest is er geen ontkomen aan. Gecontracteerde zorg is de Heilige Graal en noodzakelijk om de zorg te kunnen laten functioneren en betaalbaar te houden. Maar zijn deze uitspraken wel op feiten gebaseerd? Welke vragen zou je kunnen stellen bij deze aannames?

1. Waaruit blijkt dat contractering de kwaliteit van zorg aantoonbaar heeft verhoogd?

De opmerking ‘via contractering krijgt de patiënt uiteindelijk betere zorg’ is wat ons betreft niet aangetoond. Neem bijvoorbeeld het jonge Kwaliteitskader Wijkverpleging. Het maakt van het meten van cliëntervaringen weliswaar prioriteit, maar dit Kader geldt voor zowel gecontracteerde als niet-gecontracteerde partijen. Het zou dus heel goed kunnen dat cliënten de kleinschalige zorg die niet-gecontracteerde aanbieders bieden, minstens net zo goed beoordelen als die bij gecontracteerde organisaties. Daarnaast zijn tuchtrecht, aansprakelijkheidsrecht en de beroepsnormen ook van toepassing op niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Als dit de instrumenten zijn die we hebben ontwikkeld om kwaliteit te borgen en zowel gecontracteerde als niet-gecontracteerde zorgaanbieders zich hier aan dienen te houden, waar komt dat verschil in kwaliteit dan uit voort? Hoe wordt deze hogere kwaliteit afgedwongen via contractering? Bovendien klinken vanuit het veld van gecontracteerde zorgverleners ook wel geluiden dat het lastig is voldoende kwaliteit te blijven leveren vanwege ‘knellende’ volumeafspraken, waardoor men minder minuten per cliënt kan besteden. Oftewel, waaruit blijkt dat contractering de kwaliteit van zorg aantoonbaar heeft verhoogd?

2. Waaruit blijkt dat zorgverzekeraars contractering hebben gestimuleerd?

Het standpunt is dat zorgverzekeraars gesteld zijn op contractering en graag meer zorgaanbieders zouden willen contracteren. “Contracteren zou de meer aantrekkelijke optie moeten zijn voor zowel zorgverzekeraar als zorgaanbieder“, aldus de NZa. In het Hoofdlijnen akkoord Wijkverpleging wordt ook gesproken over het stimuleren van contractering. Afgesloten in 2018, zou je inmiddels wel mogen verwachten dat er in 2020 waarneembare verbetering te zien is van de contractering binnen die Wijkverpleging. Dat blijkt echter niet het geval. Als we het ‘Vervolgonderzoek – Ontwikkeling (niet-)gecontracteerde wijkverpleging 2016-2019‘ erbij halen, dan zien we dat er in 2016 nog 542 zorgaanbieders volledig waren gecontracteerd in de wijkverpleging. In 2018 was dit 490, een daling van 9% ten opzichte van twee jaar ervoor. Gecontracteerde zorgorganisaties lijken dus vooral groter te worden en er worden steeds minder zorgorganisaties gecontracteerd. Kleinschalige zorgaanbieders hebben over het algemeen überhaupt geen mogelijkheid tot een contract. Onlangs beschreven we hier dat minder dan 1% van alle solistisch werkenden in de wijkverpleging is gecontracteerd. Oftewel, waaruit blijkt dat zorgverzekeraars contractering hebben gestimuleerd?

3. Waaruit blijkt dat gecontracteerde zorg altijd rechtmatig wordt verleend?

Zorgverzekeraar ONVZ: “Steeds meer zorg wordt geleverd door niet-gecontracteerde zorgverleners en zorgbedrijven die geen contract hebben gesloten met zorgverzekeraars over de prijs en kwaliteit. Helaas zien we -met name bij wijkverpleging en GGZ- een toename van niet-doelmatige zorg en fraudegevallen.” Het zijn dit soort uitspraken die het beeld voeden dat niet-gecontracteerde zorg dikwijls onrechtmatig en frauduleus zou zijn. Maar is gecontracteerde zorg dan altijd rechtmatig? Oftewel, hoe zeker weet de zorgverzekeraar dat er geen voorbeelden zijn van gecontracteerde organisaties die wel uren declareren en zich aan de doelmatigheidseisen houden, maar niet leveren? Dat er zorgorganisaties zijn die frauderen of het niet zo nauw nemen met de regels is een feit, maar dat komt voor bij zowel gecontracteerde als bij niet-gecontracteerde zorgaanbieders. Wij krijgen vanuit onze achterban, die als onderaannemer werken van grote gecontracteerde zorgorganisaties, met regelmaat signalen dat deze rechtmatigheid niet vanzelfsprekend is. Oftewel, waaruit blijkt dat gecontracteerde zorg altijd rechtmatig wordt verleend?

4. Waaruit blijkt dat je via contractering het ‘organiserend vermogen’ kunt bevorderen?

Het organiserend vermogen van zorgaanbieders zou groter worden via contractering. Nu is organiserend vermogen een containerbegrip dat je op allerlei wijzes kunt bekijken. Laten we drie perspectieven aanhalen.

  • Vanuit de zorgprofessional bekeken heeft het organiserend vermogen van grote gecontracteerde zorgorganisaties nog niet veel betekend voor hun werkomstandigheden. Verzuim is met gemiddeld 6,7% torenhoog te noemen. De zzp’er in de zorg – vaak, zonder dat hij daarin een keuze heeft, niet-gecontracteerd –  is daarentegen 2,5 maal minder vaak ziek. Het werkplezier binnen het dienstverband is laag als wij kijken naar de redenen van uitstroom richting zzp-schap. De kwaliteit van het werkgeverschap is bedroevend, zo horen wij terug van startende zzp’ers. Althans, vooral bij grootschalige (gecontracteerde) zorgorganisaties zo halen wij op als we onze achterban spreken. Brancheorganisaties van kleinschalige zorgaanbieders geven aan dat verzuim en verloop bij hun achterban veel lager is dan gemiddeld. Juist deze partijen, evenals zzp’ers, krijgen geen contract of komen er niet voor in aanmerking. De relatie tussen schaalgrootte enerzijds en verzuim / verloop anderzijds wordt in de zorg niet onderzocht tot dusver. Het ‘organiserend vermogen’ van gecontracteerde zorgorganisaties heeft wat ons betreft niet geleid tot waarderende werkomstandigheden en grip op verzuim en verloop. Dat ‘het contracteerproces zorgverleners dient te ondersteunen‘ (Hoofdlijnenakkoord Wijkverpleging) is wat ons betreft niet aangetoond. Het idee is mooi, maar wat komt er concreet van terecht?
  • Vanuit de cliënt bekeken laat deze coronacrisis zien dat het maar afwachten is waar je op mag rekenen als het op zorg aankomt. Ondanks mooie afgesproken woorden als ‘zorgplicht’ en ‘doorleveringsplicht’ tussen zorgverzekeraar en zorgaanbieder, doen ook gecontracteerde zorgorganisaties uiteindelijk vooral waar ze zich zelf goed bij voelen. Daar is alles bij voor te stellen, maar het stellen dat de verzekeraar of overheid via contractering de regie hebben over de manier waarop een zorgaanbieder zorg organiseert, gaat niet op. De coronacrisis heeft laten zien dat de toegankelijkheid van zorg onder druk komt te staan als zorgorganisaties op eigen regie keuzes maken. Terwijl juist die toegankelijkheid gegarandeerd zou moeten zijn via een contract. Papier blijkt geduldig en de cliënt is misschien wel net zo goed af bij een gecontracteerde als een niet-gecontracteerde aanbieder. Dan moet je dat echter wel onderzoeken.
  • Vanuit samenwerkende zorgorganisaties bekeken is het ‘organiserend vermogen’ ook lang niet altijd wat je zou denken. In de provincie Zuid-Holland werd met veel bombarie een samenwerking tussen talloze gecontracteerde zorgorganisaties aangekondigd. In de Ahoy in Rotterdam werd een tijdelijk zorghotel gecreëerd om coronapatiënten op te vangen. Een gecoördineerde actie tussen de zorgorganisaties in die regio. Inmiddels is deze faciliteit weer afgebroken en hebben cliënten er geen gebruik van gemaakt in de weken dat het beschikbaar was. De samenwerkende gecontracteerde zorgorganisaties bleken uiteindelijk niet akkoord te gaan met de samenwerking en hebben geen cliënt doorgestuurd. Rekening van dit gebrek aan organiserend vermogen: € 14 miljoen.

Oftewel, waaruit blijkt dat je via contractering het ‘organiserend vermogen’ kunt bevorderen?

5. Waaruit blijkt dat contractering aantrekkelijker is dan niet-gecontracteerd zorg verlenen?

Nog even terug naar de stelling van de NZa dat “contracteren de meer aantrekkelijke optie zou moeten zijn voor zowel zorgverzekeraar als zorgaanbieder“. Als contractering aantrekkelijker zou zijn dan niet-gecontracteerd werken, dan zouden zorgaanbieders daar logischerwijs wel voor kiezen als ze die keuze hadden. Toch? Hoe is het dan mogelijk dat bepaalde beroepsgroepen al vele jaren grotendeels niet-gecontracteerd werken? In de mondzorg (onder meer tandartsen) werken nagenoeg alle zorgaanbieders niet-gecontracteerd, hetgeen een bewuste keuze lijkt te zijn van zowel de beroepsgroep als – gezien het feit dat veel zorgverzekeraars geen contracten meer aanbieden – de zorgverzekeraars.  Deze lijn om géén contracten met elkaar aan te gaan zorgt er echter niet voor dat er grote problemen in de mondzorg zijn, dat die mondzorg kwalitatief niet zou deugen of dat mondzorgaanbieders zich, omdat zij daartoe niet worden ‘gedwongen’ middels contractsvoorwaarden, niet houden aan de voor hen geldende (beroeps)normen. Kennelijk is er een reden dat contractering voor beide partijen niet per sé aantrekkelijker is dan niet-gecontracteerd werken, maar de zorg toch op orde is. Het zou verstandig zijn om die redenen te onderzoeken, voordat je de bijl zet aan de wortel van niet-gecontracteerde zorg. Oftewel, waaruit blijkt dat contractering aantrekkelijker is dan niet-gecontracteerd zorg verlenen?

6. Waaruit blijkt dat de cliënt / patiënt graag mínder keuzevrijheid heeft?

Artikel 13 en haar ‘Vrije artsenkeuze’ biedt de verzekerde de mogelijkheid om te kiezen. Het schrappen ervan stelt impliciet dat die keuzevrijheid minder van belang is. We kennen geen patiënten / cliënten organisaties die pleiten voor minder keuzevrijheid. Ook kennen we geen beroepsorganisaties waarvan de professional stelt dat het wel wat minder kan met de cliënt / patiënt centraal stellen. In de praktijk merken we dat de verzekerde / cliënt / patiënt graag haar autonomie en keuzevrijheid wil behouden. Zorgprofessionals hebben met de vrije artsenkeuze de mogelijkheid om de cliënt / patiënt centraal te stellen. Oftewel, waaruit blijkt dat de cliënt / patiënt graag mínder keuzevrijheid heeft?

7. Waaruit blijkt dat met contractering ‘de juiste zorg’ beter ‘op de juiste plek’ aankomt?

Volgens de minister is ‘contractering hèt vehikel om afspraken te maken de juiste zorg op de juiste plek.’ De Juiste Zorg op de Juiste Plek is een initiatief van partijen in de zorg en ondersteuning. “Hierbij staat het dagelijks functioneren van mensen centraal.” Even verderop: “De zorg moet zich voorbereiden op deze veranderingen en dat vraagt om samenwerken en kennisdelen met creativiteit en lef.” en “Het ministerie van VWS wil de beweging van helpen te versnellen en te verspreiden. Tevens moedigt VWS partijen aan om elkaar te inspireren, van elkaar te leren en met elkaar in contact te komen.” Deze uitspraken gelden voor gecontracteerde zorgorganisaties, gezien de uitspraak in het Hoofdlijnenakkoord Wijkverpleging. Zouden daarmee niet-gecontracteerde zorgaanbieders onvoldoende samenwerken, kennisdelen, creativiteit en lef tonen. Waar blijkt dit uit? Waaruit blijkt dat via contractering de mens wél als uitgangspunt wordt genomen? Waar staan die afspraken dan binnen die contractering en hoe wordt dit gerealiseerd? En als het personeelstekort één van de drijfveren is om dit programma te ontwikkelen, waarom richt je je dan op gecontracteerde zorgorganisaties? Juist die partijen staan wat verzuim en verloop betreft onder druk. Waarom leidt het succes van het Persoons Gebonden Budget en de kleinschaligheid bij niet-gecontracteerde zorg niet tot een andere manier van contractering? Wat onze achterban betreft staat het dagelijks functioneren van de mens juist bij die financieringsvormen wél centraal. Oftewel, waaruit blijkt dat met contractering ‘de juiste zorg’ beter ‘op de juiste plek’ aankomt?

8. Waaruit blijkt dat zorgverzekeraars voldoende zorg inkopen voor hun verzekerden?

Eind 2018 schreven we al over het risico dat minister de Jonge neemt als hij artikel 13 (de Vrije Artsenkeuze) wil beperken. Niet-gecontracteerde zorg is namelijk het overloopventiel van gecontracteerde zorg. Via spreadsheets bepalen zorgverzekeraars ‘productieplafonds’ voor gecontracteerde zorgorganisaties. Dit wordt bepaald via een aanname op afstand over hoeveel zorg een bepaalde regio nodig heeft. Op het moment dat je als zorgaanbieder eenmaal jouw productieplafond bereikt omdat veel cliënten zorg nodig blijken te hebben, dan krijg je de zorg bóven jouw plafond niet vergoed als organisatie. Dus trappen gecontracteerde zorgorganisaties op de rem. Dus belt de cliënt een niet-gecontracteerde zorgaanbieder. Dus groeit het aandeel niet-gecontracteerde zorg. Zo gaat het al sinds de aanspraak Wijkverpleging in 2015 overging naar zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars zouden dus weleens zélf verantwoordelijk kunnen zijn voor de stijging van niet-gecontracteerde zorg, omdat zij te beperkt gecontracteerde zorg inkopen, te knellende volumeafspraken aanbieden of zorgaanbieders die een overeenkomst wíllen aangaan überhaupt geen overeenkomst aanbieden. Om die vragen niet te hoeven beantwoorden, wordt niet-gecontracteerde zorg geframed als ‘tweemaal zo duur’. De echte vraag is echter waar de groei van niet-gecontracteerde zorg nu precies vandaan komt. Want misschien hebben gecontracteerde zorgaanbieders met een productieplafond een reden om complexe cliënten te weren die veel uren inzet vragen. Zeker als contractering Heilig wordt verklaard, maar zorgverzekeraars mogelijk te weinig zorg inkopen, dan zou je de vraag kunnen stellen “Waaruit blijkt dat zorgverzekeraars voldoende zorg inkopen voor hun verzekerden?”

9. Waaruit blijkt dat zorgverzekeraars professionalisering van wijkverpleging stimuleren?

Zorgverzekeraars Nederland stelt dat zij als doel hebben om de ontwikkeling en professionalisering van de wijkverpleging verder te brengen. Eind april plaatsten we de resultaten van ons onderzoek onder -uiteindelijk- 80 wijkverpleegkundigen. Uit de enquête blijkt dat zorgverzekeraars structureel in strijd handelen met wetgeving en jurisprudentie en wijkverpleegkundigen passeren in het uitoefenen van hun beroep. 92% van de ondervraagde wijkverpleegkundigen geeft aan dat zij zich in hun professionaliteit aangetast voelen. Tot op heden heeft Zorgverzekeraars Nederland geen reactie gegeven op deze uitkomsten. Oftewel, waaruit blijkt dat zorgverzekeraars de ontwikkeling en professionalisering van de wijkverpleging stimuleren? Wij zien juist het tegenovergestelde.

10. Waaruit blijkt dat niet-gecontracteerde zorg ‘wel tweemaal zo duur’ is?

Last but not least hét argument waar alles op scharniert voor de minister en zorgverzekeraars. De gegevens van zorgverzekeraars, verzameld door big-data bureau Vektis, tonen aan dat ‘dezelfde typen cliënten’ met ‘dezelfde kenmerken’ bij niet-gecontracteerde zorg veel meer uren inzet nodig hebben dan bij gecontracteerde zorg. Oftewel, de gemiddelde ureninzet ligt fors hoger bij niet-gecontracteerde zorg en dat zou volgens de zorgverzekeraars, de minister en de NZa ‘ondoelmatig’ zijn. Best bijzonder dat zorgverzekeraars en niet wijkverpleegkundigen bepalen wat ondoelmatige zorg is, maar dat terzijde. We zijn er inmiddels aan gewend geraakt dat big data leidend worden gemaakt. Overigens is Vektis, die de belangrijkste rapporten oplevert om aan te tonen dat ongecontracteerde zorg ondoelmatig zou zijn, 100% eigendom van Zorgverzekeraars Nederland.

Wat zijn nu precies die ‘dezelfde cliëntkenmerken’ waar alles om te doen is? Alle verwijten rondom ongecontracteerde zorg scharnieren op het standpunt dat dezelfde cliënten ongecontracteerd veel meer zorg consumeren dan bij gecontracteerd. Die ‘dezelfde’ kenmerken vind je hier en vallen uiteen in vijf categorieën. Dat lees je goed; er krijgen op dit moment zo’n 300.000 mensen thuiszorg en die zijn ingedeeld over welgeteld vijf categorieën. Die vijf categorieën vormen de basis voor de stelling dat ‘dezelfde typen cliënten’ met ‘dezelfde kenmerken’ veel duurder zijn bij niet-gecontracteerde zorg. De categorieën zijn ‘gebruik hulpmiddelen’, ‘gebruik medisch specialistische zorg’, ‘gebruik farmacie’, ‘gebruik wijkverpleging voorgaande jaar’ en ‘korter dan 3 maanden wijkverpleging’. Op basis van deze kenmerken worden de cliënten in de wijkverpleging gecategoriseerd en met elkaar vergeleken.

Als ‘dezelfde kenmerken’ dus nogal grove kenmerken zijn, dan komt de vraag omhoog of de specifieke omstandigheden van de cliënt wel meegenomen zijn in het onderzoek. Om die reden hebben we Vektis deze twee vragen gesteld: (1) In hoeverre worden de persoonlijke context en specifieke omstandigheden van de cliënt (zoals voorgeschiedenis, aanwezigheid mantelzorg, samenhang tussen de aard / samenstelling van de klachten en de specifieke zorgvraag) meegenomen in uw onderzoek en (2) In hoeverre heeft u specifieke en vergelijkbare casuïstieken met dezelfde persoonlijke context en specifieke omstandigheden bij cliënten vergeleken in relatie tot de inzet van gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorg?

Antwoord van Vektis: Wij beschikken bij Vektis niet over deze gegevens.

Daar bovenop hebben we nog een aantal andere zaken opgehaald. Wij horen namelijk vanuit onze achterban dat gecontracteerde zorgorganisaties op een bepaald moment een cliënt uit zorg laten stromen en overdragen aan niet-gecontracteerde zorgaanbieders, omdat de cliënt te zwaar op de doelmatigheidseisen en budgetplafond van de gecontracteerde partij begint te duwen. Dit zou een heel wezenlijke reden kunnen zijn waarom niet-gecontracteerde zorg duurder is. Namelijk, niet-gecontracteerde zorg (zonder plafond) neemt de zwaardere cliënten in zorg van gecontracteerde zorg (met plafond). Daarmee wordt niet-gecontracteerde zorg gemiddeld ‘duurder’ dan gecontracteerd. Wat is daarover bekend?

  • Vektis kan de wisseling van gecontracteerde aanbieder naar niet-gecontracteerde aanbieder inzichtelijk maken geven zij aan, maar hebben hier tot op heden nog geen verzoek toe gehad;
  • Vektis geeft aan dat er geen uniforme definitie is over wat zorgvraagzwaarte is. Zij heeft voor haar onderzoek geen correctie voor zorgvraagzwaarte uitgevoerd. Dat wil zeggen dat Vektis er vanuit gaat dat de zorgzwaarte tussen cliënten onderling minimaal verschilt;
  • De relatie tussen het feit dat zorgaanbieders geen contract kúnnen krijgen en het effect daarvan op de groei van niet-gecontracteerde zorg is niet onderzocht.

Oftewel, de vraag ‘Waaruit blijkt dat niet-gecontracteerde zorg ‘wel tweemaal zo duur’ is?‘ zou wat ons betreft opnieuw gesteld mogen worden.

“Het is hopen op een kritisch parlement”

Dit artikel beoogt geen wig te drijven tussen gecontracteerde en niet-gecontracteerde zorgverleners. In tegendeel: we hebben zowel gecontracteerde als niet-gecontracteerde zorgverleners nodig. Er wordt alleen wel heel veel positiefs over gecontracteerde zorg gezegd en heel veel negatiefs over niet-gecontracteerde zorg gesteld. Dit artikel beoogt daarom een tegengeluid te bieden, om daarmee de belangrijke functie van de niet-gecontracteerde zorg aan het voetlicht te brengen.

We kunnen het niet mooier verwoorden dan Dirk Zwager dat deed in zijn artikel over de ‘volstrekte onlogica’ achter dit wetsvoorstel: “Het is hopen op een kritisch parlement”. Het is hopen op een parlement dat door heeft dat de echte vragen nog gesteld en beantwoord moeten worden. Het wetsvoorstel is voortijdig, voorbarig en vooral onvoldoende onderbouwd te noemen. Het naderende wetsvoorstel laat vooral zien hoe intens de lobby en framing in de gezondheidszorg op dit moment wordt gevoerd. Artikel 13, een fundamenteel recht dat keuzevrijheid binnen de zorg moet beschermen, zal net als 6 jaar geleden afhangen van de interesse die de parlementariërs in het onderwerp hebben. We hopen dat dit artikel er aan bijdraagt om de juiste vragen te stellen. Was getekend SoloPartners, sluit je aan!, brancheorganisatie voor solistisch werkenden (zzp’ers) in de zorg.

Teken de petitie, gestart door de Werkvereniging, tegen het wetsvoorstel en vóór keuzevrijheid.
Er lopen een aantal petities tegelijkertijd, waaronder van Fysiotherapie & Wetenschap en de GGZ.
D
e tussenstand is nu ruim 35.000 handtekeningen! 

Dit artikel delen