Nieuws

Uitspraak Hoge Raad over juridische kwalificatie werkrelatie: zijn er gevolgen voor de praktijk?

vrijdag 13 november 2020    Dit artikel delen
hoge raad

Er zijn meerdere manieren waarop zorgverleners werkzaam kunnen zijn voor een zorgorganisatie. Zorgverleners kunnen bijvoorbeeld in loondienst zijn, maar ook werkzaam zijn als zzp’er op basis van een overeenkomst van opdracht. Indien zorgverleners als zzp’er fungeren, is soms lastig vast te stellen wat de juridische kwalificatie is van die werkrelatie. En wat exact het verschil is tussen een arbeidsovereenkomst en een overeenkomst van opdracht. De hoogste rechter van Nederland, de Hoge Raad,  heeft daar op 6 november 2020 een arrest over gewezen, waar veel over te doen is Welke gevolgen heeft dit arrest voor de praktijk?

lid worden

Belang van juridische kwalificatie van de werkrelatie

Het belang van de kwalificatie van een werkrelatie zit hem in de juridische gevolgen daarvan. Als een zzp’er wordt ingeschakeld op basis van een overeenkomst van opdracht, maar door de rechter wordt vastgesteld dat feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan heeft dit grote gevolgen voor onder meer de verplichting tot loondoorbetaling bij ziekte, ontslagbescherming en toepasselijkheid van een CAO. Bovendien zou de zzp’er zijn fiscale voordelen kunnen verliezen.

De beoordeling van de werkrelatie vindt plaats door de civiele rechter, die kijkt of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daarnaast stellen de Belastingdienst en de belastingrechter, op basis van de fiscale wetgeving en de werknemersverzekeringenwetten, vast of sprake is van een al dan niet fictieve arbeidsovereenkomst. Dat zou betekent dat loonbelasting en premies werknemersverzekeringen moeten worden ingehouden.

Hoge Raad vóór 6 november 2020

Over de relatie arbeidsovereenkomst / overeenkomst van opdracht heeft de Hoge Raad in 1997 in de uitspraak  “Groen/Schoevers” geoordeeld dat twee aspecten van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of iemand werkzaam is in loondienst of als zzp’er.
(1) Allereerst was volgens de Hoge Raad voor die beoordeling van belang welke bedoeling partijen hadden en op welke wijze zij die bedoeling hadden vastgelegd: hadden zij de bedoeling een arbeidsovereenkomst te sluiten of juist een overeenkomst van opdracht?
(2) Ten tweede diende volgens de Hoge Raad bekeken te worden op welke wijze in de praktijk door partijen invulling werd gegeven aan de gemaakte afspraken: hoe was de werkrelatie feitelijk ingericht?

De bedoeling van partijen was dus mede van belang voor de beoordeling van de werkrelatie. Deze bedoeling was echter maar één van de beoordelingsaspecten. Volgens de Hoge Raad kon immers –  als de samenwerking in de praktijk afwijkt van wat op papier is gezet – dat zeker doorslaggevend zijn voor de vraag of al dan niet sprake was van een arbeidsovereenkomst.

Hoge Raad ná 6 november 2020

Op 6 november 2020 heeft de Hoge Raad in een uitspraak geoordeeld dat de bedoeling van partijen niet langer relevant is. Kortom: het is niet meer van belang of partijen al dan niet de bedoeling hadden de werkrelatie als een arbeidsovereenkomst op te vatten. Waar het volgens de Hoge Raad om gaat, is of de tussen de partijen overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst. Deze wettelijke omschrijving staat in artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek :

“De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.”

Dit betekent dat de civiele rechter op drie onderdelen toetst:

  • de verplichting persoonlijke arbeid te verrichten
  • tegen loonbetaling en
  • in een gezagsverhouding

Wat heeft dit voor gevolgen voor de praktijk?

De Hoge Raad is dus van koers gewijzigd ten opzichte van de uitspraak Groen/Schoevers, maar de Hoge Raad geeft geen nieuwe criteria om te beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht, zodat het de vraag is of er eigenlijk wat is veranderd.  Want ook nu nog is de feitelijke wijze waarop wordt samengewerkt bepalend. Daarbij kijken ze naar de bovenstaande drie elementen.

Door de uitspraak van de Hoge Raad komt, zo zou gezegd kunnen worden, nog meer nadruk te liggen op hoe de feitelijke situatie is en of al dan niet sprake is van de hiervoor genoemde drie elementen, vooral de gezagsrelatie. De beoordeling van die drie elementen kan dus niet meer anders worden door de bedoelingen van partijen. Voor het overige is nog steeds de feitelijke individuele invulling van de samenwerkingsrelatie bepalend. In die zin niet zoveel nieuws onder de zon.

Tot slot is van belang om te benadrukken dat deze uitspraak alleen ziet op de beoordeling door de civiele rechter van de werkrelatie tussen twee partijen. De overeenkomst ziet dus niet op de wijze waarop de Belastingdienst of de belastingrechter die beoordeling maken.

Dit artikel delen